De ontdekking van de hemel
Harry Mulisch
Nooit had Max iemand als Onno ontmoet, Onno nooit iemand als Max, - als zelfbenoemde tweeling hielden zij niet op zich te verheugen over elkaar. Elk voelde zich de mindere van de ander, elk was knecht en tegelijk heer, waardoor een soort oneindigheid ontstond, als tussen spiegels die zich in elkaar spiegelen. (...)
Waren zij maar flikkers, dan was er niets aan de hand, dan vormden zij eenvoudig een verliefd stel. Maar nu confronteerden zij iedereen met een gemis, dat soms een onaangenaam mengsel van afgunst en agressie baarde: dan was de ene een overjarige student, die het ontgroenen niet kon laten, de ander een arrogante kwal. Om het te neutraliseren, gaven zij het volmodig toe en deden er nog een schepje bovenop.
De vraag, wat dat was tussen hen, zouden zij pas later bespreken - toen het er niet meer was, toen al die dagen in hun herinnering ineengevloeid waren tot één eeuwig-onvergetelijke dag.
Ook de grieken, wist Onno, die de grondslag hadden gelegd van de westerse cultuur, bezaten geen woord voor 'cultuur'. De woorden kwamen pas als de zaak was verdwenen.
pagina 49-50